HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Land en water 3

In deze afsluitende column over de invloed van het landschap op de openbare ruimte gaan we verder bij de eerste serieuze ontginningen die plaatsvonden vanaf het jaar 1000.

In die tijd werden in Zeeuws-Vlaanderen en Friesland al met succes dijken en sloten aangelegd. Zoals we eerder zagen betekende dijk oorspronkelijk ook 'sloot' (het is verwant met het Engelse to dig 'graven') en heeft sloot met sluiten te maken (ze dienden ter afscheiding van droge stukken land).

Bij de aanleg van de zeedijken werd tijdens eb droogvallend land vaak op het water teruggewonnen. Omdat die gebieden pol genoemd werden (denk aan de uitstekende graspol), kregen dergelijke dijken in de middeleeuwen de naam polre. Vervolgens ging dit woord ook hele gebieden met een gereguleerde afwatering aanduiden. Uiteindelijk werd er vanwege de uitspraak nog een -d- ingevoegd en de polder was geboren. Dat woord zou als exportproduct terechtkomen in alle ons omringende talen, maar bijvoorbeeld ook in het Russisch (pol'der), het middeleeuws Latijn (poldrum) en zelfs het Japans (porudâ).

Behalve door de 'waterwolf' werd het Nederlandse landschap in de late middeleeuwen door nog twee zaken bedreigd. In de eerste plaats was het ontgonnen veenlandschap vatbaar voor inklinking (van klinken 'vast- of klein slaan'), waardoor stormvloeden steeds grotere gevolgen hadden. Ten tweede werd steeds meer turf gewonnen, een Germaans woord voor 'graszode' met een onzekere herkomst.

Om de Nederlandse gatenkaas te dichten begon men in de loop van de zestiende eeuw meren droog te malen, hetgeen een nieuw type polder opleverde: de droogmakerij. Het is het ultieme bewijs van het feit dat water en land hier hand in hand gaan. Die woorden zijn beide erg oud en komen in bijna alle Indo-Europese talen voor in vergelijkbare vormen: water lijkt zelfs op de vorm in het niet-verwante Fins, en land is waarschijnlijk meer dan 5000 jaar oud.

Stedelijk Interieur, 2011, nr. 5.

Terug naar columns