HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De eclectische gevel

Van gevels uit de periode tot 1800 is het met kennis van de bekendste bouwstijlen goed mogelijk om vast te stellen wanneer ze gebouwd zijn. Voor negentiende-eeuwse gevels geldt dat echter veel minder. Dat komt omdat er dan steeds meer elementen uit verschillende stijlen gecombineerd gaan worden. De hele bouwgeschiedenis werd in toenemende mate als een catalogus gebruikt waaruit gekozen kon worden.

Dat begon rond 1800 al met de zogenaamde empirestijl, uiteraard genoemd naar het keizerrijk van Napoleon, in het Frans empire, dat ontleend is aan het Latijnse imperium, afgeleid van imperāre 'bevelen'. Naar aanleiding van Napoleons veldtocht naar Egypte en zijn interesse in het Romeinse Rijk werd de bestaande, classicistische Lodewijk-XVI-stijl aangevuld met allerlei Egyptisch en Romeins aandoende versieringen. Hierdoor was sprake van een vrije stijl, die misschien wel de eerste neostijl kan worden genoemd.

Met het Griekse voorvoegsel neo- 'nieuw' werden al in de negentiende eeuw zelf revivals van stijlen uit het verleden aangeduid. Het enige verschil tussen de oorspronkelijke stijl en de 'nieuwe' variant was dat er op een vrije manier ornamenten werden toegevoegd. Zo kende het neoclassicisme, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw overheerste, kroonlijsten, pilasters en witgepleisterde gevels, maar soms ook vensters met een halfronde bovenkant.

Vanaf 1830 ontstond er naast deze klassieke stijl een herwaardering van een andere bouwperiode, namelijk de middeleeuwse gotiek. Het woord gotiek komt van de Italiaanse benaming voor de Oost-Germaanse Goten, omdat de zestiende-eeuwse Italianen de middeleeuwse architectuur 'barbaars' vonden. Gotische gevels zijn in Nederland zeldzaam, omdat de meeste huizen destijds nog van hout waren. Neogotische gevels zijn er wel in overvloed, met name bij negentiende-eeuwse rooms-katholieke kerken. Woningen in deze stijl zien eruit als middeleeuwse kastelen, compleet met kantelen en spitsboogvensters.

Na 1880 grepen architecten meer terug op allerlei elementen uit het roemruchte bouwverleden van de zestiende- en zeventiende-eeuwse Hollandse renaissance: we noemen dit dan ook neorenaissance. Omdat gebouwen eind negentiende eeuw veel groter waren dan een paar eeuwen eerder, werden de ornamenten als speklagen, aanzet- en sluitstenen vaak vergroot en dan uitgevoerd in kunststeen. Ook werden vaak erkers toegevoegd, een woord dat is ontleend aan het Duits, dat het uit het Frans heeft. Via het middeleeuws-Latijnse arcuaria 'schietgat' gaat het terug op het Latijnse woord arcus 'boog'.

Al met al kunnen we de negentiende-eeuwse bouwstijlen samenvatten met de uit de filosofie afkomstige term eclecticisme. Aan de basis hiervan ligt namelijk het Griekse werkwoord eklégein 'uitkiezen', en dat is precies wat de architecten destijds naar hartenlust deden.

Herenhuis, 2012, nr. 1.

Terug naar columns