HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De schouw

In het huidige Nederland is wonen de normaalste zaak van de wereld. Ook de woorden waarmee we onze directe leefomgeving beschrijven gebruiken we bijna achteloos. Toch blijken veel van die alledaagse woorden een bijzondere geschiedenis te hebben.

Een voorbeeld hiervan is schouw. Om de herkomst van dit woord goed te kunnen begrijpen moeten we terug naar de vroege middeleeuwen. In die periode bestonden de houten huizen meestal uit een ruimte, waar in het midden een haardvuur kon branden. De rook werd afgevoerd door een gat in het rieten dak.

Omdat dit erg brandgevaarlijk was, ontstonden rond het jaar 1000 twee vernieuwingen: ten eerste werd rondom het vuur een aparte kamer afgescheiden (de binnenhaert) en ten tweede werd de stookplaats naar de zijmuur verplaatst, zodat de rook door een taps toelopende rookvang van steen kon worden afgevoerd. Deze werd ondersteund – geschoord – door twee uitkragende stenen, en daarom ging de nieuwe vinding al snel schoorsteen heten.

Vanaf de zestiende eeuw ging men het haardvuur behalve om te koken en als warmtebron ook gebruiken om te wassen. Voor deze specifieke manier van wassen raakte het werkwoord schouden in zwang, dat ontleend werd aan het Oudfranse eschauder 'met heet water wassen' (tegenwoordig échauder). Het Franse werkwoord ging op zijn beurt terug op het Latijnse excaldare 'verwarmen', een afleiding van calidus 'warm'.

Uit schouden ontwikkelde zich de vorm schouwen. Deze chique werkwoorden zijn inmiddels verdwenen uit onze taal – misschien speelde het bestaan van het werkwoord schouwen 'bekijken' daar een rol bij – maar een afleiding heeft het tot op heden wel volgehouden: sinds de zestiende eeuw werd de stookplaats in toenemende mate schouw genoemd, hetgeen veel voornamer klonk dan het gewone schoorsteen.

Omdat die schoorsteen ook steeds minder vaak twee schorende stenen had (maar bijvoorbeeld sierlijke zuilen of een marmeren bekleding) kon de betekenis van het woord verschuiven naar datgene wat nog wel zichtbaar van steen was: de afvoerpijp die boven het dak uitstak.

Wat eerst rookvang en schoorsteen heette, werd vanaf de zeventiende eeuw steevast aangeduid met schouw of met schoorsteenmantel. Maar in die laatste samenstelling klinkt de oorsprong nog wel door: alle woorden betreffen immers de omhulling van de stookplaats.

Herenhuis, 2010, nr. 2.

Terug naar columns