HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Het plantsoen

Naast parken kennen steden ook kleiner openbaar groen, dat meestal plantsoen wordt genoemd. Het formaat van deze openbare ruimte en de betekenis van dit begrip kunnen echter ruim worden opgevat.

Het woord plantsoen is in de betekenis 'loot, stek' aan het eind van de middeleeuwen ontleend aan het Oudfranse plançon. Aan de basis ligt het Latijnse woord planta met dezelfde betekenis, waaraan het Nederlandse plant is ontleend. Van het bijbehorende plantāre 'poten' komt ons werkwoord planten.

Pas later werd plantsoen een verzamelnaam voor 'jonge bomen en heesters' en vanaf de achttiende eeuw kon er tevens een 'beplant terrein' mee worden aangeduid. Hiervoor waren ook twee andere woorden in omloop, namelijk het meervoud poten – afgeleid van het gelijkluidende werkwoord – (dit verklaart de naam van de Haagse Lange en Korte Poten) en het uit het Frans afkomstige plantage (denk aan Amsterdam en de koloniën). Dergelijke beplante terreinen konden smalle stroken zijn, maar ook grootschalige kwekerijen.

In de negentiende eeuw ging het woord plantsoen specifiek de beplanting van de oude vestingwerken aanduiden, zoals het Noorderplantsoen in Groningen en het Lucasbolwerkplantsoen in Utrecht. Deze 'parkplantsoenen' waren vooral publieke wandelplaatsen, en hierdoor verdween de associatie met jonge aanplant naar de achtergrond.

Toch klinkt die oorspronkelijke betekenis nog door in het takenpakket van de gemeentelijke plantsoenendienst. Daarnaast heeft de twintigste eeuw onze steden verrijkt met talrijke onbegaanbare miniplantsoenen: van kleine bloemenperken en bosschages tot groene restruimtes in straatprofielen en onbereikbare rotondeplantsoenen. Kennelijk omvat het begrip plantsoen zo ongeveer alles tussen een beplante vierkante meter en een klein park, helaas zonder iets te zeggen over de ontwerpkwaliteit.

Stedelijk Interieur, 2009, nr. 3.

Terug naar columns