HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De passage

In guur herfstweer is het goed toeven in een overdekte openbare ruimte, waarvan de Haagse Passage uit 1885 een van de eerste Nederlandse voorbeelden is.

Het woord passage is al in de late middeleeuwen ontleend aan het Frans, in de betekenis 'doorgang'. Het is afgeleid van het werkwoord passer 'doorgaan, voorbijgaan', dat uiteindelijk teruggaat op het Latijnse woord passus 'pas, voetstap'.

Pas in de negentiende eeuw kreeg het woord passage zijn huidige betekenis van 'overdekte winkelstraat'. Dergelijke straten waren eind achttiende eeuw ontstaan in Parijs en kwamen voort uit eerdere ontwerpen voor uit het Midden-Oosten overgewaaide winkelcomplexen, de bazaars. Dit van oorsprong Perzische woord is in de betekenis 'marktplaats' al rond 1300 gesignaleerd in Zuid-Europa, maar het woord werd pas echt populair na de achttiende-eeuwse vertalingen van de verhalen uit Duizend en één nacht.

Door de achttiende-eeuwse bazaars of galeries te combineren met slimme binnendoorwegen ontstond de typische langgerekte passagevorm, met eventuele 'zijarmen' voor extra verbindingen naar de niet-overdekte buitenwereld.

In de negentiende eeuw kregen steden in heel Europa passages, tot Moskou aan toe. Veel passages werden in de twintigste eeuw echter weer gesloten, ten faveure van het makkelijker te beheren warenhuis.

Enkel de passages die goed als short-cut of 'doorgang' te gebruiken waren, bleken uiteindelijk succesvol. Zo voorzag en voorziet de Haagse Passage nog steeds in de behoefte aan noord-zuidroutes in het centrum. Ook voor de sinds de jaren zeventig nieuw gebouwde passages geldt deze stelregel nog steeds: het is een van de redenen waarom de Brinkmann Passage in Haarlem leegstaat en De Barones in Breda een succes is.

Stedelijk Interieur, 2009, nr. 5.

Terug naar columns