HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De autosnelweg

Hoe de openbare ruimte van de toekomst eruit zal gaan zien valt moeilijk te voorspellen. Dat blijkt eens te meer uit de toekomstvisies uit de vorige eeuw, waarin de auto(snel)weg een belangrijke rol speelde – ook binnen de stad.

De samenstellingen autoweg en autosnelweg eindigen beide op het oude erfwoord weg, dat al in de tiende eeuw is aangetroffen. Het gaat net als het werkwoord bewegen terug op de Indo-Europese werkwoordstam *uegh- 'bewegen, gaan'.

Bij deze zelfde stam hoort ons woord wagen, een synoniem van auto. Dat woord is een laat-negentiende-eeuws Frans leenwoord, evenals de langere vorm automobiel, die teruggaat op de Franse combinatie voiture automobile 'zichzelf voortbewegende wagen'.

Het onderdeel dat onderscheid maakt tussen een maximumsnelheid van 100 en 120 kilometer per uur, gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen is snel – maar dat oude erfwoord heeft een onduidelijke herkomst.

In Nederland raakten verbindende wegen voor alleen autoverkeer in zwang na de publicatie van het eerste Rijkswegenplan uit 1927. In eerste instantie probeerde men autowegen in te passen in het stedelijk weefsel, zoals bij de Maastunneltraverse in Rotterdam: een verdiept gelegen binnenstedelijke snelweg met aan weerszijden ventwegen op maaiveld.

Na de oorlog kwamen stedelijke snelwegen vooral in brede randzones te liggen, zoals bij de A10 rond Amsterdam. Vanwege de toename van het autoverkeer lukte het echter niet langer om de maatvoering van dergelijke wegen te laten corresponderen met de stedelijke schaal en werd verweving zo goed als onmogelijk.

In de eenentwintigste eeuw is hernieuwde aandacht ontstaan voor het ontwerp van het snelwegenlandschap, bijvoorbeeld onder de noemer 'mobiliteitsesthetiek'. Verweving tussen snel en langzamer verkeer in de stad lijkt echter minstens zo belangrijk.

Stedelijk Interieur, 2009, nr. 6.

Terug naar columns