HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Stoep, bordes, trottoir

Bij inspraak ligt het gevaar op de loer dat elke burger vooral zijn eigen straatje wil schoonvegen. Hoog tijd dus om in deze rubriek de drempelwereld tussen voordeur en straat onder de loep te nemen.

Pas vanaf 1300 raakten de steden langzaam hun agrarische uiterlijk kwijt: door de bevolkingstoename werd erven dichter bebouwd en straten nauwer. Daarom werden burgers in veel laat-middeleeuwse keuren verplicht tot het handhaven van de rooilijn – letterlijk de lijn waarachter bouwsels gerooid of 'geschrapt' konden worden.

Om voor de straat een minimale breedte te kunnen garanderen, kwam de rooilijn soms voorbij de erfgrens te liggen. In de tussenzone ontstond de stoep. Dit erfwoord, dat samenhangt met stappen, duidde oorspronkelijk letterlijk de private, stenen 'opstap' naar het huis aan – dat lag immers vaak iets hoger dan de straat.

In de renaissance kwam de begane grond soms nog hoger te liggen, waardoor een extra trap naar de voordeur nodig werd. Deze kwam in de zone van de stoep terecht en kreeg vanaf de zeventiende eeuw de naam bordes. Dit Franse leenwoord betekende eerst 'luifel, uitstalplank' – niet voor niets klinkt het woord bord er in door. Omdat luifels verdwenen en de nieuwe trap zich in dezelfde ruimte bevond, kon het woord een andere betekenis krijgen.

Tot 1800 was de straat het domein van alle soorten verkeer. Pas toen de verkeersdruk toenam, werd het noodzakelijk om een speciale voetgangersstrook af te scheiden. Naar Frans voorbeeld werd deze strook trottoir genoemd, een afleiding van het Franse werkwoord trotter, dat 'lopen' betekent en samenhangt met treden.

In het huidige spraakgebruik lopen stoep en trottoir door elkaar, maar in sommige binnensteden zijn ze – samen met het bordes – nog naast elkaar te zien.

Stedelijk Interieur, 2010, nr. 3.

Terug naar columns