HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Oever, wal, kade

Naast de drempelwereld tussen voordeur en straat bestaan er nog meer overgangen in de openbare ruimte, bijvoorbeeld die tussen water en land.

Het oudste woord voor deze zone is oever. Dit is een erfwoord, dus het is direct te herleiden tot de gereconstrueerde taal van onze Germaanse voorouders, in dit geval tot obera. Ook het Duitse Ufer en het Friese ouwer horen hierbij.

Zoals zo vaak met oude woorden duidt het woord oever niet een specifieke vorm waterkant aan. Dat is al meer het geval met het woord wal. Dit is in de Romeinse tijd ontleend aan het Latijnse vallum, dat 'opgeworpen grond ter versterking' betekende. In het Engels heeft hetzelfde woord zich ontwikkeld tot het standaardwoord voor 'muur'. In onze taal was de betekenisverschuiving geringer, via 'versterking van een waterkant' naar 'waterkant' in het algemeen.

Desondanks denken we bij wal vooral aan een stenen oever; een groene rivieroever zal er in concrete zin niet snel mee worden aangeduid. Toch bestaat er een nog specifieker woord voor een 'versterkte waterkant', namelijk kade. Oorspronkelijk luidde dit woord kaai. Het gaat terug op het Keltische kajo, dat 'afscheiding' betekende. De betekenisovergang naar '(afscheiding aan de) waterkant' heeft zich waarschijnlijk in het Oudnederlands voltrokken, waaruit het Frans en het Duits het dan hebben overgenomen. De -d- is in de veertiende eeuw ingevoegd, omdat men kaai plat vond klinken (een vorm van hypercorrectie).

Geconstrueerde oevers kunnen behalve loodrecht ook schuin oplopend zijn. Net als bij viaducten spreken we dan van een talud. Dit vreemde woord is in de zeventiende eeuw ontleend aan het Middelfranse talut 'helling' (tegenwoordig talus), dat teruggaat op het Keltische talos 'voorzijde'. Zo blijken de Kelten dus hofleverancier van onze waterbouwkundige werken.

Stedelijk Interieur, 2010, nr. 4.

Terug naar columns