HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Waterlopen

Nederland is een deltaland, en dus stromen er door onze openbare ruimte talrijke waterlopen, met elk een eigen benaming.

Kleine watertjes noemen we beken of kreken, oude erfwoorden met een onduidelijke herkomst. Grotere waterlopen werden vroeger vloed of vliet genoemd, woorden die zijn afgeleid van de werkwoorden vloeien en vlieten, beide in de betekenis 'stromen'. Het nu bij ons gebruikelijke woord rivier klinkt oerhollands, maar is feitelijk in de twaalfde eeuw ontleend aan het Oudfranse riviere, dat teruggaat op het Latijnse rīpa 'oever, kust'.

Naast natuurlijke bestaan er van oudsher ook veel gegraven watergangen, waarmee het drassige deltagebied in cultuur gebracht werd. Zo is het woord sloot al in 639 aangetroffen (als plaatsnaam). Het gaat terug op het werkwoord sluiten, omdat sloten ook gegraven werden ter afscheiding van stukken grond. De 'afwaterende' functie komt goed tot uiting in de oude afleiding watering of wetering.

Typische polderwateren zijn de tocht en de boezem. Bij de tocht (water dat op een sluis, molen of gemaal aansluit) staat de beweging centraal: het gaat terug op het Middelnederlandse werkwoord tien 'trekken' (denk ook aan tocht in de zin van 'reis' en 'luchtstroom'). Bij de boezem gaat het juist om de verzameling van water: eraan ten grondslag ligt mogelijk een vorm die 'zwellen' of juist 'uithollen' betekent.

Bredere gegraven watergangen worden vaart of kanaal genoemd. Vaart is al vroeg afgeleid van varen, dat eerst '(snel) gaan' betekende en later 'over water gaan'. Kanaal is net als rivier ontleend aan het Frans. Aan de basis ligt het Latijnse canālis 'waterleiding', een afleiding van canna 'riet'. Wat buiten de stad kanaal genoemd wordt, heet daarbinnen vaak gracht, een woord waar een eerdere editie van deze rubriek al geheel aan gewijd was.

Stedelijk Interieur, 2010, nr. 5.

Terug naar columns