HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Het raam 2

In de vorige editie zagen we hoe raamkozijnen aan het eind van de middeleeuwen bestonden uit een open deel met een luik ervoor en uit een dicht deel met glas-in-loodruitjes. Ook de gevelontwerpen uit de Hollandse renaissance en het vroege classicisme hadden nog dergelijke gevelopeningen.

Maar al vanaf 1650 werden veel troebele glas-in-loodramen vervangen door een nieuwe mode: vanaf die tijd was men namelijk voor het eerst in staat om glas te fabriceren dat echt transparant was. Dat paste nu eenmaal veel beter bij de steeds lichtere interieurs van de Hollandse koopmanshuizen.

Bovendien was het nieuwe glas sterk genoeg om gebruikt te worden in platen van 20 bij 25 centimeter. Deze werden niet langer in lood gevat, maar in houten roeden. Het woord roede betekent oorspronkelijk 'twijg, stuk hout'. Nu het kozijn geheel van hout was en daarmee een stuk minder kwetsbaar, duurde het niet lang of het houten luik kwam op de tocht te staan. Wanneer het koud weer was, betekende het gesloten luik immers een groot lichtverlies.

Rond 1680 werd daarom een nieuw type venster ontwikkeld: het schuifvenster, ook wel schuifraam of schuifkozijn genaamd. Geheel in lijn met de geschiedenis bestond het uit een vast raam aan de bovenkant – het bovenlicht – en een onderlicht dat daar direct achter omhoog geschoven kon worden. In het kozijn was een uitsparing gemaakt voor koorden en gewichten, waaraan het onderlicht werd opgehangen.

Dergelijke vensters werden in Nederland voor het eerst toegepast in Slot Zeist en Paleis Het Loo, beide in 1686. Het woord schuifvenster is al eerder in het Nederlands aangetroffen, in een Engels-Nederlands woordenboek uit 1647. Dat is een grappige vindplaats, aangezien er onduidelijkheid bestaat over de herkomst van het schuifvenster: in Nederland werd het lange tijd aangeduid met de naam Engels (schuif)raam, terwijl in Engeland gesproken werd over Dutch windows.

Om de verwarring compleet te maken denkt men tegenwoordig dat het in Frankrijk is uitgevonden. Maar met de benaming Frans raam bedoelen we het draairaam met vast bovenlicht en naar binnen draaiende onderkanten, dat eind achttiende eeuw kwam overwaaien tezamen met de Lodewijk-XVI-stijl. Dergelijke ramen hebben niet langer houten roeden, maar een kozijn in een T-vorm.

Herenhuis, 2010, nr. 4.

Terug naar columns