HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Kelder en zolder

In de vorige aflevering kwamen de Latijnse leenwoorden kamer en keuken aan bod, die al in onze taal voorkwamen in de Romeinse tijd, terwijl dergelijke vertrekken zelf pas gebruikelijk werden in laat-middeleeuwse stadswoningen. Hetzelfde geldt voor twee andere 'nieuwkomers': kelder en zolder.

Net zoals onze prehistorische woonhuizen geen aparte kamers hadden, kenden ze ook geen verdiepingen. Omdat de rook van de open haard vrij moest kunnen ontsnappen door de kap, kon er geen extra vloer in worden gemaakt.

Dat probleem werd pas rond 1000 opgelost met de komst van de rookvang, en later de schoorsteen. Nu kon er gemakkelijk een extra houten vloer worden aangebracht. Onder de kap ontstond op die manier de opslagruimte die met zolder werd aangeduid.

Omdat in de steden langzaamaan dichter opeen gebouwd werd, ontstond behoefte aan nog meer inpandige opslagruimte. In de stenen huizen van de late middeleeuwen werd het daarom gebruikelijk om ondergronds – tussen de funderingsmuren – een extra ruimte te maken. Voor deze ruimte greep men terug op het woord kelder.

Dat woord was net als zolder al in de eerste eeuwen na Christus ontleend, en in beide gevallen lag het Romeinse woonhuis eraan ten grondslag. Zolder gaat terug op het Latijnse woord sōlārium, dat oorspronkelijk 'gebouwdeel dat door de zon beschenen wordt' betekende (het is een afleiding van sōl 'zon'), en later 'bovenverdieping'. In het Nederlands van de tiende eeuw luidde het woord dan ook nog solre.

De -d- is later ingevoegd, en dat is ook het geval bij kelder, dat in de tiende eeuw nog als kelre werd geschreven. Het gaat terug op het Latijnse cellārium, dat 'voorraadkamer' betekent en werd uitgesproken als kellarium. Pas vanaf 300 werd de lettercombinatie ce- in het Latijn steeds meer uitgesproken als se-, om uiteindelijk in het Italiaans als tsje- te eindigen. Ons woord moet dus wel voor 300 ontleend zijn, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Engelse cellar.

Dan blijft alleen nog het raadsel over waarom de 'nieuwe' woonhuisruimten kamer, keuken, kelder en zolder rond het jaar 1000 werden aangeduid met 'oude' Latijnse leenwoorden. Die vertrekken bestonden tussen 400 en 1000 toch niet in de simpele inheemse woningen? Dat klopt, maar ze waren wel aanwezig in de kloosters en de kastelen, de geavanceerde gebouwcomplexen die zowel fysiek als mentaal gezien kunnen worden als de opvolgers van de villa's en forten van de Romeinen

Herenhuis, 2010, nr. 6.

Terug naar columns