HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Vliering en verdieping

Vorige keer zagen we hoe het woonhuis in onze streken rond het jaar 1000 met de zolder en de kelder eindelijk meer opslagruimte kreeg. Pas zo'n 300 jaar later volgde de verdere uitbreiding in de hoogte. In de late middeleeuwen nam de bevolking in de tot dan toe vrij landelijke steden snel toe, waardoor men noodgedwongen dichter op elkaar ging bouwen.

Hierdoor moesten voortaan meer spullen binnenshuis worden opgeborgen en daarom probeerde men de ruimte onder de dakkap beter te benutten. Om het dak te verstevigen was de constructie al eerder uitgebreid met balkjes in de lengterichting van de kap, de zogenaamde gordingen. Dit woord is afgeleid van het werkwoord gorden in de betekenis 'omringen, omvatten' – denk ook aan gordel.

Dakkappen met een steile hellingshoek werden naar Noord-Frans voorbeeld ook wel voorzien van een extra constructie tot halverwege de kap, compleet met schuin omhooglopende stijlen, dwarsbalken en horizontaal gelegen gordingen. In het Noord-Frans werden deze gordingen aangeduid met filière 'stutbalk', dat is afgeleid van Oudfrans fil 'rechte lijn, draad' en teruggaat op het Latijnse fīlum 'draad'. In het Middelnederlands werd het overgenomen als filier. Vanwege analogie met gording ontstond al snel het woord filiering. Omdat de klemtoon op de tweede lettergreep lag, kon het woord fliering gaan luiden.

Omdat de flieringen horizontaal lagen, konden er over de flieringconstructie gemakkelijk vloerdelen worden gelegd. Hierdoor ontstond als het ware een tweede zolder, die oorspronkelijk flieringsolre werd genoemd en later kortweg fliering. Doordat de nadruk op de extra vloer kwam te liggen, werd het woord vanaf de zeventiende eeuw gespeld als vliering – een voorbeeld van volksetymologie.

In de late middeleeuwen ontstonden naar het voorbeeld van stenen kastelen ook huizen van steen binnen de stad. In die woningen werden voor het eerst meerdere verdiepingen aangebracht. Dit vreemde woord – je gaat immers omhoog, niet omlaag – valt simpel te verklaren op basis van de houten kapconstructie die dergelijke stenen gebouwen hadden.

Om de lage zolderruimte onder de kap functioneler te maken paste men hier een andere techniek toe: men liet de vloer ongeveer 60 centimeter zakken – 'verdiepen' – ten opzichte van de stenen muren. Hierdoor ontstond een zogenaamde zolder met verdiep.

Bij verbouwingen lag het vervolgens voor de hand deze ruimte te voorzien van volledige muren. Op dat moment was het niet langer een zolder, maar een zelfstandige bouwlaag: een verdieping. Door dit proces te herhalen ontstonden meerdere verdiepingen.

Herenhuis, 2011, nr. 1.

Terug naar columns