HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De houten gevel

In de late middeleeuwen kregen stadswoningen voor het eerst meerdere verdiepingen. Desondanks hadden de meeste huizen rond 1500 nog één laag plus zolder. Om het brandgevaar terug te dringen kwamen er steeds meer stenen zijmuren. Een belangrijk gebouwdeel bleef echter lange tijd van hout: de gevel.

De oorspronkelijke betekenis van het woord gevel was waarschijnlijk 'top, nok'. Het zou samenhangen met het Griekse woord kephalē 'hoofd'. Niet voor niets is de gevel het meest gezichtsbepalende onderdeel van een gebouw. Een andere mogelijkheid is dat het verband houdt met gaffel, omdat de prehistorische gevels ondersteund werden door dergelijke gevorkte houten palen.

Ook in de middeleeuwen waren de gevels vaak niet meer dan een met vlechtwerk en leem ingevulde constructie (vakwerk). Vanaf 1400 werd de driehoekige topgevel vaker voorzien van een zogenaamd beschot van verticale houten planken. Beschot komt van het werkwoord beschieten 'met planken bekleden', gevormd uit het voorvoegsel be- en schieten in de betekenis 'plaatsen'.

Om het beschot tocht- en regendicht aan het rieten en later leien dak te kunnen bevestigen werden windveren toegevoegd. Misschien werden deze verbindingsplanken zo genoemd omdat ze het dak tegen wind beschermden en ze de vorm hadden van vleugels, een oude betekenis van het woord veer. Ze waren in ieder geval vaak decoratief; het was een geveldeel waarmee de timmerman zijn kunsten kon tonen.

Datzelfde gold voor de zogenaamde makelaar, de verticale balk die voor het beschot langs liep en het met de nokbalk verbond. De benaming makelaar komt waarschijnlijk voort uit die verbindende functie. Een makelaar is immers een tussenpersoon bij koop en verkoop. Deze elementen zijn allemaal nog te zien in de Zaanse Schans.

Het beschot stak meestal over ten opzichte van het onderste deel van de gevel. Dankzij dit overstek bleef de kwetsbare onderhelft beschermd tegen afdruipend water. Bovendien was er op de zolder zo ruimte te winnen, zij het meestal maar een kleine maximaal toegestane maat van zeven duim (achttien centimeter).

Bij de schaarse huizen met meerdere lagen had elke verdieping een extra overstek. Hierdoor helden de gevels trapsgewijs voorover. Dit noemde men op (de) vlucht bouwen of een vliegende gevel. De samenhang met vlucht en vliegen moet gezocht worden in de betekenis 'zich losmaken van de grond, hellen'. De vooroverhellende gevel werd een karakteristiek element van de Nederlandse stad, ook toen er meer stenen gevels kwamen. Daarover meer in de volgende editie.

Herenhuis, 2011, nr. 2.

Terug naar columns