HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Dorp, gehucht en nederzetting

Lang voordat er in onze streken steden waren, woonden mensen al bij elkaar in primitieve hutten. Dat gebeurde pas echt na de 'uitvinding' van de landbouw rond 5300 voor Christus, want voor die tijd leidde men een rondzwervend bestaan. Boer (hetzelfde woord als buur) betekent oorspronkelijk dan ook niet meer dan '(mede)bewoner'.

Toen men langer op één plek verbleef was het natuurlijk handiger om een blijvende verblijfplaats te bouwen – niet voor niets een woord dat verwant is met zijn (denk aan ik ben en jij bent), in dit geval 'op één plek zijn, zich vestigen'. Vanaf 4500 voor Christus bouwde men de eerste echte huizen (verwant met huid 'bescherming'): het waren langgerekte houten hoeves waar mens en dier door elkaar leefden.

Een oud Germaans woord voor een dergelijke hoeve was thurpa, dat mogelijk teruggaat op een oudere vorm die 'ontgonnen land' betekende. Uiteindelijk is thurpa steeds meer huizen gaan aanduiden, want hieruit stamt zowel het Nederlandse woord dorp 'groep huizen' als het Friese woord terp 'woonheuvel'. Mogelijk werd die betekenisverruiming veroorzaakt door het feit dat men om veiligheidsredenen steeds dichter bij elkaar ging wonen.

Een andere benaming voor een boerenhoeve was hof, en daarvan is al in de vroege middeleeuwen het woord gehucht afgeleid. Het luidde oorspronkelijk namelijk gehofte, maar zoals bij zoveel Nederlandse woorden kon de combinatie ft veranderen in cht (denk aan achter uit after (Engels after) en lucht uit luft (Duits Luft)). Ook een gehucht is dus letterlijk een 'groep huizen', net zoals een gebergte een 'groep bergen' is.

Tegenwoordig duiden we een dorp ook wel aan met het abstracte nederzetting. Dat woord klinkt misschien heel oud, maar de betekenis 'dorp' is pas vanaf 1700 aangetroffen. Voor die tijd bestond alleen de algemene betekenis 'iets of zichzelf neerzetten', iets wat in een dorp inderdaad letterlijk gebeurt.

Stedelijk Interieur, 2011, nr. 2.

Terug naar columns