HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De stenen gevel

Rond 1400 waren verreweg de meeste gevels in de steden nog van hout. Toch zouden er in de loop van de vijftiende eeuw langzaamaan meer stenen gevels verschijnen.

De eerste stenen woonhuizen in de steden behoorden toe aan de hoge adel en ze leken ook het meest op kastelen, soms compleet met kantelen. De gevels van dergelijke huizen liepen over de volle breedte door tot de nokhoogte, waardoor het erachter gelegen schuine dak vanaf de straat onzichtbaar was. Daarom worden ze schermgevels genoemd; het woord scherm (waar ook beschermen van is afgeleid) betekende oorspronkelijk 'schild, huid'. Uit dit type ontwikkelde zich vanaf ongeveer 1450 de trapgevel, waarbij de gevel in verschillende 'stappen' werd opgetrokken tot het niveau van het schuine dak. De basisbetekenis van het woord trap is ook 'stap', en daaruit ontstond de betekenis 'stap omhoog, trede'.

Om het brandgevaar terug te dringen begonnen steeds meer steden houten voorgevels te verbieden. Leiden was met een dergelijk verbod in 1450 erg vroeg, Amsterdam in 1669 juist erg laat. Toch veranderde daarmee niet meteen alles. In eerste instantie werden veel houten gevels slechts 'ingesteend', waarbij de houten constructie overeind bleef en deze een stenen invulling kreeg. Ook werd er tegen regeninslag nog steeds vooroverhellend, op de vlucht gebouwd.

Bovendien werd met de term gevel vooral de 'bovenkant van een gebouw' aangeduid. Voor de onderzijde was er een apart woord, namelijk pui. Dit woord is ontleend aan het Oudfranse puie en gaat terug op het Latijnse woord podium 'verhoging' (dat het Nederlands in de negentiende eeuw ook in die betekenis heeft overgenomen, uit het Duits). Het Latijn heeft het op zijn beurt van het Griekse pódion 'voetstuk', letterlijk 'kleine voet', bij poús 'voet'. Ook in het Middelnederlands betekende pui oorspronkelijk 'verhoging, bordes', en vandaaruit 'onderkant van een gebouw'.

Onder een stenen gevel bleef de pui vaak van hout. Ter ondersteuning van de gevel werd dan een puibalk aangebracht, eventueel voorzien van consoles, een Franse naam die overigens pas sinds de achttiende eeuw gebruikelijk werd en samenhangt met het Latijnse woord cōnsōlātiō 'troost, steun': de consoles die steun bieden aan de puibalk en de gevel erboven.

Tegenwoordig bestaat het betekenisverschil in hoogte tussen de woorden pui en gevel niet meer zo sterk, maar het is nog wel herkenbaar in de samenstellingen winkelpui, schuifpui en ook in trapgevel. Dit was eind vijftiende, begin zestiende eeuw de meest voorkomende beëindiging van stenen gevels in Nederland. Maar de internationale mode zou daar snel verandering in brengen.

Herenhuis, 2011, nr. 3.

Terug naar columns