HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De gevel in de renaissance

Halverwege de zestiende eeuw had meer dan de helft van de woonhuizen in onze steden nog een houten gevel. De meeste stenen woningen hadden slechts een sobere, vlakke trapgevel van baksteen zonder veel versieringen. Maar vanaf 1530 bereikte een nieuwe mode de Nederlanden: de renaissance.

De term renaissance (die overigens pas sinds de negentiende eeuw in die zin gebruikt wordt) is een Franse leenvertaling van het Italiaanse rinascimento, dat verwijst naar een 'wedergeboorte' vanwege de herontdekking van de klassieke oudheid. In de bouwkunst gingen Griekse en Romeinse voorbeelden hierdoor een grote rol spelen.

Een bekend boek met voorbeelden dat al twee jaar na publicatie in Nederland uitkwam, was dat van de Italiaan Sebastiano Serlio uit 1537. Volgens hem waren ideale gevels niet langer vlak, maar moesten ze versierd worden met pilaren of pilasters. Pilaar gaat net als pijler terug op het Latijnse pīla 'pilaar', dat in de Latijnse volkstaal vervormd werd tot pilare en pilarium. Pilaster is pas in de renaissance zelf ontleend aan het Italiaans. Het woord pilastro 'vlakke pilaar' komt van het Latijnse pilaster, dat zelf een vervorming is van het Griekse parastátēs onder invloed van pīla.
Een Germaans woord voor 'pilaar' is zuil, maar dat was in de middeleeuwen minder gebruikelijk dan pilaar of pijler. Het gaat misschien terug op het Indo-Europese kseulo- 'houten paal, stok', waaruit ook het eerste deel van het woord xylofoon afkomstig is.

Zuilen werden vanaf de renaissance algemeen bekend door de vijf verschillende zuilenordes die konden worden toegepast: de Griekse ordes, Dorische, Ionische en Korintische, en de Romeinse ordes, Toscaanse en composiet (met uitzondering van de laatste genoemd naar hun zogenaamde herkomst). Elk type zuil had zijn eigen verhoudingen en nog belangrijker: zijn eigen basement of 'voetstuk, grondvlak' en kapiteel of 'bekroning', dat ontleend is aan het Laatlatijnse capitellum, letterlijk 'hoofdje'.

Ook in de Nederlanden werden de zuilenordes in de loop van de zestiende eeuw voorzichtig toegepast, bijna altijd in de vorm van halfzuilen. De zuilen en de gevels zelf bleven meestal wel van baksteen, dat afgewisseld werd met horizontale stroken van wit natuursteen, die vanwege voorstelbare redenen speklagen genoemd werden. De oorspronkelijke trapgevelvorm werd ook vaak versierd met natuurstenen ornamenten, zoals de obelisk (een kleine versie van de Griekse gedenknaald) en het fronton (de driehoekige tempelbeëindiging in het klein) – opnieuw Latijnse leenwoorden.
Door de vermenging van dergelijke renaissancemotieven en inheemse bouwtradities worden gevels uit de periode 1530 tot 1630 wel aangeduid met de benaming Hollandse renaissance.

Herenhuis, 2011, nr. 4.

Terug naar columns