HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

Land en water 2

Aangezien veel van onze openbare ruimten nauw samenhangen met hun ondergrond, staan ook deze keer enkele landschappelijke begrippen centraal.

In de vorige aflevering zagen we hoe de Nederlandse delta rond 800 nog amper door mensenhanden was aangepast. Met delta duidden de oude Grieken de monding van de Nijl aan, omdat die er vanuit het noorden gezien uitzag als een hoofdletter delta: Δ. Sinds de achttiende eeuw worden ook andere riviermondingen zo genoemd.

Rond het jaar 1000 ontstonden de eerste steden in de Nederlanden, maar tegelijkertijd werd de fysieke omvang van het land beperkt: tal van stormvloeden zorgden er bijvoorbeeld voor dat Dordrecht aan zee kwam te liggen, dat het Flevomeer (of Almere) zich ontwikkelde tot de Zuiderzee en dat in Holland allerlei meren en moerassen ontstonden.

Het erfwoord zee luidde in het Germaans saiwi en kon toen nog zowel 'zee' als 'meer' betekenen. De laatste betekenis is nog steeds de normale in het Duits en de Scandinavische talen. Dezelfde verwarring kent het erfwoord meer, dat in het Duits 'zee' betekent. Het is verwant met het Latijnse mare, maar gaat terug op het Germaanse mori, waarvan via mora ook moer 'drassig land' is afgeleid. Onder invloed van dat woord kreeg het aan het Noordfrans ontleende marasc (een afleiding van Latijn mare) ook een oe, en werd het moeras, met dezelfde betekenis.

Om de bevolkingsgroei op te kunnen vangen werd vanaf 1000 begonnen om het drassige land te ontginnen. Deze twee werkwoorden zijn varianten bij het basiswoord ginnen, dat niet zelfstandig is aangetroffen maar vermoedelijk al 'aanvangen' betekende. Het voorvoegsel ont- betekent hier misschien 'in', waardoor ontginnen oorspronkelijk 'beginnen in, aansnijden' betekende, en later alleen nog 'beginnen de grond te bewerken'.

Hoe dat bewerken van de grond allesbepalend werd voor het latere uiterlijk van de Nederlanden zien we de volgende keer.

Stedelijk Interieur, 2011, nr. 4.

Terug naar columns