HomeBoekenArtikelenColumnsOnderzoekLinksBioContact

Columns

De classicistische gevel

Rond 1630 was de Hollandse renaissancestijl met zijn bakstenen gevels en overdaad aan natuurstenen ornamenten amper een eeuw in ontwikkeling. Toch trad er rond die tijd alweer een kentering op in het geveluiterlijk, met name in het door koopvaardij rijk geworden Amsterdam.

In Italië waren inmiddels nieuwe architectuurtraktaten uitgekomen, die voorschreven dat gevels nog meer op Griekse en Romeinse – klassieke – voorbeelden moesten gaan lijken. Het woord klassiek betekende oorspronkelijk 'gezaghebbend' en specifieker 'tot de Oudheid behorend'. Het gaat via het Frans terug op het Latijnse classicus 'uit de hoogste klasse'. De strengere klassieke stijl wordt met een achttiende-eeuwse Franse term classicisme genoemd.

In deze stijlperiode verdwenen de trapgevels, ten faveure van de horizontale lijstgevels. Hierbij konden de pilasters of zuilen dan geheel volgens de klassieke traditie worden beëindigd door een architraaf, een fries en een kroonlijst, waarboven soms nog een gevelbreed driehoekig fronton uitstak.
Architraaf is een Frans leenwoord dat is samengesteld uit het Griekse arkhi- 'eerste, hoofd-' (denk ook aan architect, letterlijk 'hoofdtimmerman') en het Latijnse trabs 'balk'; het is dus de 'hoofdbalk'. Hier bovenop ligt traditioneel het fries, een vaak met beeldhouwwerk aangeklede sierstrook. Dit fries heeft niets met de Friezen te maken, maar opvallend genoeg wel met een ander volk: het woord gaat via het Frans en het Latijn terug op de naam van de Frygiërs, een schijnbaar erg artistiek volk dat leefde ten westen van het huidige Ankara.

Sommige gevels werden net als in het oude Rome geheel uitgevoerd in natuursteen, maar in Nederland bleef ook baksteen populair. Daarnaast waren veel kavels in onze streken te smal voor een lijstgevel compleet met fronton. Daarom ontstond hier de zogenaamde halsgevel. Hierbij werd het met een fronton bekroonde midden – de hals – verhoogd tot de nokhoogte en bleven de buitenste gedeelten – de schouders – lager. Ertussen verschenen dan natuurstenen ornamenten, de zogenaamde klauwstukken (die oorspronkelijk namelijk de vorm hadden van leeuwen- of adelaarspoten).

Ook uit het buitenland werden nieuwe versieringen geïmporteerd, zoals het festoen en het oeil-de-boeuf. Een festoen is een gebeeldhouwde slinger van bladeren, bloemen of fruit, in de vorm van een in de breedte uitgerekte hoofdletter M. Het woord festoen is via het Frans net als het ornament zelf afkomstig uit Italië; aldaar is het woord festone een vergrotingsvorm van festa 'feest'. Oeil-de-boeuf is Frans voor 'koeienoog', en die vreemde benaming raakte in gebruik voor een klein ovaal raam dat daar door zijn natuurstenen omlijsting ook wel een beetje op lijkt.

Herenhuis, 2011, nr. 5.

Terug naar columns